zaterdag 20 december 2014

Francisca Petronella Wesbeek

Francisca Petronella Wesbeek
Mijn oma, Francisca Petronella Wesbeek, is geboren op 4 september 1891 te Schiedam. De foto is gemaakt bij Joan Zwaan te Schiedam.

Francisca Petronella Wesbeek

Achterop deze foto heeft mijn moeder geschreven 'Ciska Bos Wesbeek 12j'. Zou dit een foto zijn van haar eerste communie? Tot 1910 was het gebruikelijk dat jongens en meisjes op hun twaalfde hun Eerste Heilige Communie deden, nadat ze op school en in de kerk waren voorbereid. Later deden kinderen hun eerste communie op de leeftijd van 7 of 8 jaar.

De foto is gemaakt door W.C. Dulfer, Aert v. Nesstraat 77 te Rotterdam.






zaterdag 6 december 2014

Het Sinterklaasgedicht

Aan de scheurwoede van mijn moeder, Mies Bos, is een Sinterklaasgedicht uit 1931 van Jaap van Marwijk ontsnapt.
De vraag is echter, welke speld heeft zij van Jaap gekregen?
Ik kan uit de achtergelaten sieraden geen keuze maken.

Alle broches verzameld van 'kunst tot kitsch'
















Evenals in andere jaren, kwam nu ook de goede Sint
Uit het groote verre Spanje, om te komen tot elk kind
Wat in Nederland haar best doet en altijd vol ijver werkt.
En je weet, wanneer je braaf bent, zijn z’n gaven onbeperkt.

Tijdens ’t reizen en het trekken door het gansche Nederland
Vergat de groote heilige bisschop ook niet de Veursche kant.
En de zwarte Piet, dien rakker, luisterde daar dagenlang
Huis aan huis, aan iedere schoorsteen, geen die aan z’n oor ontkwam.

“Miesje Bos” zo zeide Pieter “is een heele brave meid.”
“Altijd aardig, altijd netjes, altijd vol met degelijkheid.”
Toen de Sint dat had vernomen, kreeg hij weer z’n geefsche gril,
En zei: “Pieter, geef dat meisje, ál wat ze van me hebben wil!””

Terwijl de oude grijze Bisschop deze simpele woorden sprak,
Keek hij schuin naar zijnen Pieter, die toen starend voor zich zag
En die leuke zwarte kerel, die de Sint jarenlang
Trouw in zijne werken bijstaat, trok een bakkes – ò – zoo lang.

Eindelijk sprak hij “Hoor, eens even, luister even lieve baas
“Gaarne zou ik zulks geven, maar – helaas – helaas – helaas.
In deez’ tijd vol met malaise, vol ellend’ en narigheid,
“Kan dat heusch de brui niet trekken, wat mij werkelijk wel wat spijt.”

“Onze beurs is bijna ledig, heel de bodem is te zien,
“Dat we eerstdaags bankroet slanen, is helaas reeds te voorzien.”
En de Sint sloeg aan het peinzen en hij dacht “Wat is dat naar.”
En zijn lange stramme vingeren krabden door zijn grijze haar.

Starend zag hij voor zich henen in de stille eenzaamheid,
Kon toch niemand, niemand helpen in dier’ akelig tijd???
Credit zag hij alle lasten, debet stond niet ééne baat,
En de goede oude bisschop, kreeg het werkelijk wat te kwaad.

Maar de Sint wou toch wat geven aan dat braaf oppassend kind,
Want die ijverig zijn en werken, vergat hij nooit, de goede Sint …
Eindelijk haalde hij – na veel zoeken – uit dien heelen grooten zak,
Een zilver vulpotlood te vooschijn en … een heele groote plak ..
               
voor ’n ander, voor ’n ander, heel stout kind, zeg weet jij

Maar de kleine zwarte Pieter, die ons, vrouwtje had bespied
Wist één ding van braaf “Miesje, wat hij niet den Sint verriet.
Mieske was wel altijd degelijk, en heel netjes aangezet,
Maar dat ze lage halsjes dragen kon, dát ging boven zijnen pet


Na een oogenblik van denken, kwam hij tot een kloek besluit
En sprak: “Mies, hier is een speldje, schei nu met die halsjes uit,
“Want ander kan in volgende jaren, heusch de goede brave Sint,
Je niet meer bij diegene rekenen, die hij noemt “z’n bèste kind.